January 3, 2026
Waarom je het doel zegt en hoe je het lidwoord bij doel altijd goed kiest

Waarom je het doel zegt en hoe je het lidwoord bij doel altijd goed kiest

Twijfel je over het of de doel? Ontdek snel wat correct is, met duidelijke regels, voorbeelden en een checklijst zodat je altijd goed schrijft.

Twijfel je tussen het of de doel? In het Standaardnederlands zeg je altijd het doel-of het nu gaat om je bedoeling of het doel in sport-en helpt de dit/deze-test je razendsnel: dit doel klinkt goed, deze doel niet. Met heldere voorbeelden, vaste uitdrukkingen en veelgemaakte fouten (zoals de doel of op goal) leer je het meteen foutloos toepassen, inclusief meervoud, verkleinwoord en samenstellingen.

Het of de doel: wat is correct

Het of de doel: wat is correct

Als je twijfelt tussen het of de doel, kies dan altijd voor het doel. In het Standaardnederlands is doel een het-woord, ongeacht of je het hebt over een bedoeling (je leerdoelen, het hoofddoel) of over het doel in sport (het doel waar je op schiet). Daarom zeg je het doel, dit doel, dat doel, elk doel en welk doel. In het meervoud krijg je de doelen, wat soms voor verwarring zorgt, omdat je dan plots de gebruikt. Laat je daar niet door misleiden: in het enkelvoud blijft het altijd het. Ook in vaste uitdrukkingen blijft het zo: met het doel te…, tot doel hebben en op doel schieten. Je hoort in spreektaal wel eens de goal, vooral in sportcontext, maar dat is een leenwoord uit het Engels; het hoort bij doelpunt (een treffer) en niet bij de juiste lidwoordkeuze voor doel.

Zeg dus liever: hij schoot op doel en maakte een doelpunt, of: de bal ging in het doel. In Vlaanderen hoor je soms de doel in dialect, maar dat is niet standaardtaal. Een handige check is de dit/deze-test: kun je natuurlijk zeggen dit doel, dan weet je dat het een het-woord is; deze doel klinkt fout. Denk ook aan vormen als het juiste doel, het einddoel en het doeltje (verkleinwoord: ook met het). Met deze simpele vuistregels kies je voortaan zonder twijfel voor het juiste lidwoord.

Doel is een het-woord in het standaardnederlands

Als je je afvraagt welk lidwoord bij doel hoort, kies je altijd voor het. Je zegt dus het doel, dit doel, dat doel, elk doel en welk doel. Dat blijft zo in elke betekenis: zowel bij een bedoeling (het hoofddoel, het einddoel) als in sport (de bal ging in het doel). Het meervoud is de doelen, maar dat verandert niets aan het enkelvoud.

Met bijvoeglijke naamwoorden blijft het ook het: het juiste doel, het algemene doel. Het verkleinwoord is het doeltje. Hoor je ergens de doel, dan gaat het om dialect of een vergissing. Een handige check is de dit/deze-test: dit doel klinkt goed, deze doel niet. Zo kies je altijd moeiteloos het juiste lidwoord.

Betekenissen: ‘bedoeling’ en ‘goal’ in sport

Het woord doel heeft twee veelgebruikte betekenissen die je uit elkaar moet houden. Als je het over een bedoeling hebt, gaat het om wat je wilt bereiken: je stelt een doel, je werkt doelgericht en je evalueert of je je doel hebt gehaald. In sport verwijst doel meestal naar het frame met net waar je op schiet: de keeper verdedigt het doel, de bal gaat in het doel, een speler schiet op doel.

De treffer zelf heet een doelpunt, niet een doel. In spreektaal hoor je soms het Engelse goal, maar in standaardtaal zeg je gewoon doel en doelpunt. In beide betekenissen blijft het lidwoord hetzelfde: je zegt altijd het doel, dit doel en dat doel. Zo hou je je taal zuiver én helder.

[TIP] Tip: Zeg altijd ‘het doel’; meervoud: ‘de doelen’, nooit ‘de doel’.

Praktische regels en voorbeelden

Praktische regels en voorbeelden

Zo pas je ‘doel’ in de praktijk altijd correct toe. Hier vind je korte, toepasbare regels met duidelijke voorbeelden.

  • Lidwoorden en aanwijzende woorden: altijd het doel. Je zegt dit doel en dat doel, net als elk doel en welk doel.
  • Meervoud, verkleinwoord en bijvoeglijke naamwoorden: meervoud is de doelen; in het enkelvoud blijft het altijd het. Verkleinwoord: het doeltje. Met bijvoeglijke naamwoorden: het juiste doel, het algemene doel, het einddoel. Voorbeelden: De spits schiet op het doel. De trainer stelt een duidelijk doel. Je werkt gericht naar het hoofddoel.
  • Veelgemaakte fouten en valkuilen: de doel is fout in standaardtaal (vaak door invloed van dialect of verwarring met de Engelse goal). Gebruik de dit/deze-test: dit doel klinkt goed, deze doel niet. Let op verwante woorden: de doelstelling (de-woord) en het doelpunt (het-woord).

Houd deze regels aan en je kiest vanzelf het juiste lidwoord bij doel. Twijfel? Doe de snelle dit/deze-test en check het voorbeeld.

Lidwoorden en aanwijzende woorden: het, dit, dat, elk, welk

Bij doel kies je in het enkelvoud altijd het: het doel. Bij aanwijzende woorden hoort daar in het enkelvoud dit of dat bij: dit doel als het dichtbij is, dat doel als het verder weg of minder concreet is. Met onbepaalde voornaamwoorden gebruik je elk en welk: elk doel telt, welk doel past het best? In combinatie met een bijvoeglijk naamwoord blijft het hetzelfde: het juiste doel, dit ene doel, dat concrete doel.

Let op het meervoud: dan krijg je de doelen en veranderen de aanwijzende woorden naar deze en die: deze doelen, die doelen. Zeg dus nooit deze doel of de doel in standaardtaal; dat klinkt onjuist en leidt tot verwarring.

Meervoud, verkleinwoord en bijvoeglijke naamwoorden (doelen, doeltje, het juiste doel)

Het meervoud van doel is doelen: de doelen. Dat de in het meervoud verandert, doet niets af aan het enkelvoud: je blijft zeggen het doel. Het verkleinwoord is doeltje, gevormd met -tje na de l: het doeltje in het park, de doeltjes op het bijveld. Bij bijvoeglijke naamwoorden let je op de buiging. Bij het-woorden zonder bepalend lidwoord krijg je geen -e: een juist doel, een helder doel.

Met een bepalend woord wél een -e: het juiste doel, dit duidelijke doel, dat concrete doel. In het meervoud staat er altijd een -e op het bijvoeglijk naamwoord: de juiste doelen, die haalbare doelen. Zo houd je je zinnen consequent: het doel, het doeltje, de doelen en de doeltjes, telkens met de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord.

Veelgemaakte fouten en regionale valkuilen (de goal VS het doel)

De meest gehoorde fout is de doel of deze doel, vaak beïnvloed door dialect of het meervoud de doelen. Onthoud: in het enkelvoud zeg je altijd het doel, dit doel en dat doel. In sport hoor je vaak de goal; dat is een Engels leenwoord. In standaardtaal kies je voor het doel voor het frame met het net en doelpunt voor de treffer.

Zeg dus: hij schoot op doel en maakte een doelpunt, niet op goal en geen een goal maken. In Vlaanderen duikt de doel geregeld op in spreektaal, maar dat is geen standaardtaal. Twijfel je? Doe de dit/deze-test: dit doel klinkt goed, deze doel niet. Zo vermijd je hardnekkige valkuilen in één klap.

[TIP] Tip: Kies altijd het doel; meervoud: de doelen.

Samenstellingen en uitdrukkingen met doel

Samenstellingen en uitdrukkingen met doel

In samenstellingen bepaalt het laatste woord het geslacht; omdat doel de kern is, krijg je bij varianten als hoofddoel, einddoel, tussendoel, subdoel en nevendoel standaard het-lidwoord: het hoofddoel, dit subdoel. Wanneer doel niet de kern is, verandert het: doelstelling (kern: stelling) is de doelstelling, doelgroep (kern: groep) is de doelgroep, terwijl doelpunt (kern: punt) en doelwit (kern: wit) het-woorden blijven. In sport zeg je op doel schieten, voor het doel staan, de bal ging naast het doel.

In beleidstaal gebruik je met het doel te + infinitief en tot doel hebben; het formelere ten doel kom je vooral in oude of juridische teksten tegen. Handige afleidingen zijn doelgericht en doelbewust, en het tegengestelde doelloos. Ook vaste uitdrukkingen bevestigen het-lidwoord: het doel heiligt de middelen, het einddoel voor ogen houden. Check bij twijfel welke kern het dichtst bij het einde staat; dat geeft je meteen het juiste lidwoord en een natuurlijk klinkende zin.

Veelgebruikte samenstellingen: hoofddoel, einddoel, subdoel, doelstelling, doelpunt, doelwit

Onderstaande tabel vergelijkt veelgebruikte samenstellingen met ‘doel’ op betekenis, correct lidwoord en meervoud, plus een korte voorbeeldzin en context. Zo zie je in één oogopslag hoe je ze correct gebruikt.

Samenstelling Betekenis Lidwoord + meervoud Voorbeeld en context
hoofddoel belangrijkste doel het hoofddoel; de hoofddoelen Het hoofddoel is winstgevend groeien. (strategie/algemeen)
subdoel tussen- of deeldoel het subdoel; de subdoelen Dit subdoel ondersteunt het hoofddoel. (planning/onderwijs)
doelstelling geformuleerde target/afspraak de doelstelling; de doelstellingen De doelstellingen zijn SMART opgesteld. (beleid/management)
doelpunt gescoord punt in sport het doelpunt; de doelpunten Hij maakte het winnende doelpunt. (sport)
doelwit target/objekt waar iets op gericht is het doelwit; de doelwitten Het bedrijf werd doelwit van een cyberaanval. (veiligheid)

Belangrijk: de meeste samenstellingen met ‘-doel’ zijn het-woorden; een uitzondering is ‘de doelstelling’. Gebruik bij meervoud altijd ‘de’ en kies de term die past bij je context (strategie, planning, sport of veiligheid).

Bij samenstellingen met doel bepaalt het laatste deel het lidwoord. Omdat doel een het-woord is, zeg je het hoofddoel, het einddoel en het subdoel. Je gebruikt ze om de hiërarchie in je plannen helder te maken: je formuleert het hoofddoel en werkt via elk subdoel stap voor stap vooruit. Doelstelling heeft als kern stelling, daarom is het de doelstelling: een concrete, meetbare formulering van wat je wilt bereiken.

In sport spreek je van het doelpunt voor een treffer, en buiten sport gebruik je het doelwit voor het object waarop een actie is gericht. In het meervoud krijg je dus de doelstellingen, de doelpunten en de doelwitten, maar in het enkelvoud blijft het telkens het of de zoals hierboven.

Vaste combinaties en voorzetsels: tot/met/ten doel, als doel, op doel schieten

Met doel gebruik je een paar vaste combinaties die je makkelijk herkent en correct toepast. Iets tot doel hebben betekent dat je het als eindpunt of bedoeling stelt: de campagne heeft tot doel het aantal zwerfvuilmeldingen te verhogen. Met het doel te + infinitief is formeler dan om te, maar beide zijn correct: je plant met het doel te besparen, of simpelweg om te besparen.

Ten doel is nog formeler en klinkt juridisch of ouderwets: de maatregel diende ten doel de veiligheid te vergroten. Als doel gebruik je wanneer je een keuze of functie benoemt: je kiest snelheid als doel. In sport zeg je op doel schieten en een schot op doel; vermijd op goal in standaardtaal. In alle gevallen blijft het lidwoord het.

[TIP] Tip: Gebruik het doel; in uitdrukkingen: als/tot doel. Nooit de doel.

Snelle checklijst en oefenzinnen

Snelle checklijst en oefenzinnen

Twijfel je tussen het of de bij doel? Met deze snelle checklist en oefenzinnen zit je meteen goed.

  • Checklijst: enkelvoud is altijd het doel (dit/dat doel; elk/welk doel); meervoud de doelen (deze/die doelen); verkleinwoord het doeltje; met bijvoeglijk naamwoord: het juiste doel, een helder doel; meervoud: de juiste doelen.
  • Oefenzinnen (met antwoord en korte uitleg): Vul in met het of de – “Ik houd … einddoel scherp” -> het (enkelvoud, het-woord); “We bespreken … doelen voor Q4” -> de (meervoud). Kies het juiste aanwijzende woord – “… doel is haalbaar” -> dit (enkelvoud, het-woord); “… doelen stellen we bij” -> die (meervoud). Verkleinwoord – “Ze trapte de bal op … doeltje” -> het (verkleinwoord is altijd het).
  • Vaste combinaties en valkuilen: met het doel te besparen; tot doel hebben; in sport op doel schieten; de treffer heet het doelpunt. Corrigeer regionale fout: “Hij schoot op goal” -> “Hij schoot op doel”.

Onthoud: bij doel kies je in het enkelvoud het. Twijfel je? Check de voorbeelden hierboven en oefen nog een keer.

Checklijst: zo kies je altijd het juiste lidwoord bij doel

Begin met de basisregel: doel is een het-woord, dus je zegt het doel. Twijfel je? Doe de snelle dit/deze-test: dit doel klinkt goed, deze doel niet. Kijk vervolgens naar het meervoud; dat is de doelen, maar dat verandert niets aan het enkelvoud. Gebruik bij aanwijzing dit of dat: dit doel is haalbaar, dat doel stellen we bij. Het verkleinwoord helpt ook als geheugensteun: het doeltje bevestigt het-lidwoord.

Let bij bijvoeglijke naamwoorden op de buiging: het juiste doel en een juist doel, maar de juiste doelen in het meervoud. In sport verandert er niets aan het lidwoord: je schiet op doel en de bal gaat in het doel. Zie je ergens de doel, dan weet je dat het fout is.

Oefenzinnen met korte uitleg en antwoorden

Test jezelf met deze korte zinnen en check meteen waarom het klopt. Vul in: We houden … doel scherp -> het (doel is een het-woord). Kies het aanwijzend woord: … doel is haalbaar -> dit (bij het-woorden gebruik je dit/dat). Meervoud: We bespreken … doelen voor morgen -> de (meervoud krijgt altijd de). Aanwijzing in meervoud: … doelen stellen we bij -> deze of die (meervoudsvorm).

Verkleinwoord: Het … doeltje staat scheef -> het (verkleinwoorden zijn ook het-woorden). Sport: De spits schoot op … -> doel (standaardtaal is op doel, niet op goal). Correctie: Deze doel past beter -> Dit doel past beter (dit bij het-woorden). Zo zie je in elk voorbeeld dezelfde regel terug: in het enkelvoud gebruik je het, dit en dat; in het meervoud de, deze en die.

Veelgestelde vragen over het of de doel

Wat is het belangrijkste om te weten over het of de doel?

Doel is een het-woord in het Standaardnederlands. Het betekent zowel ‘bedoeling’ als het doel in sport. Gebruik het, dit, dat, elk en welk. Meervoud: doelen; verkleinwoord: doeltje. Veelvoorkomend: hoofddoel, einddoel, doelwit.

Hoe begin je het beste met het of de doel?

Begin met de basis: het doel, dit doel, dat doel, elk doel, welk doel, het juiste doel. Vorm ook meervoud en verkleinwoord: doelen, doeltje. Oefen vaste combinaties: tot/met/ten doel, als doel, op doel schieten.

Wat zijn veelgemaakte fouten bij het of de doel?

Veel fouten komen door regio-invloed: ‘de doel’ of verwarring met ‘de goal’. Vermijd ‘deze doel’; correct is ‘dit doel’. Let op congruentie: het juiste doel, datzelfde doel. In meervoud: de doelen, die doelen.